Nieuwsbrief



Oprichting (1948)

Op 24 januari 1948 werd in Amsterdam de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) opgericht. Vergeleken met andere stromingen was het liberalisme politiek-organisatorisch relatief lang versnipperd gebleven. De meer individualistisch ingestelde liberalen hadden niet zoveel op met al te hecht georganiseerde partijen. Tussen de oprichting van hun eerste landelijke partijorganisatie - de Liberale Unie - in 1885 en de totstandkoming van de VVD in 1948 vonden heel wat fusies, afsplitsingen en naamsveranderingen plaats. Uiteindelijk ontstond de VVD uit het samengaan van de Partij van de Vrijheid (PvdV), waarvan D.U. Stikker politiek leider was, en het Comité-Oud, vernoemd naar zijn voorzitter P.J. Oud. Dit comité bestond uit ontevreden leden van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB), die in 1946 met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en enkele andere politieke groeperingen in de Partij van de Arbeid (PvdA) was opgegaan. Na deze fusie vond Oud al snel dat de PvdA te veel sociaal-democratische trekjes kreeg. Eind 1947 stapte hij uit de PvdA en vormde het comité dat zijn naam kreeg. Overleg met Stikker leidde tot de oprichting van de VVD.

Bij de naamgeving van de nieuwe partij was afgezien van de term ‘liberaal', vanwege de negatieve associaties die dit begrip toentertijd opriep: ‘liberalisme' werd na de Tweede Wereldoorlog in verband gebracht met de economische crisis en werkloosheid van de jaren dertig. Niettemin plaatste de VVD zich ideologisch van meet af aan in de liberale traditie, met de grote nadruk die zij legde op de vrijheid van het individu. Het liberalisme beschouwt de mens als een unieke persoonlijkheid, die zich dient te ontplooien naar eigen aard, aanleg en levensovertuiging. Daartoe is ‘een zo groot mogelijke vrijheid van de mens, zowel in geestelijk en staatkundig als in materieel opzicht (...) een onmisbare voorwaarde', aldus het beginselprogram van de VVD. Aan de individuele vrijheid zijn evenwel grenzen gesteld. Een ongebreideld individualisme van de één zou immers ten koste van de vrijheid van de ander kunnen gaan, waardoor samenleven onmogelijk zou worden en het recht van de sterkste zou gaan gelden. Het vrijheidsbeginsel is dan ook in de beginselen van de VVD ingeperkt door principes als verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid en sociale rechtvaardigheid.