Raadspraat. Het belang van het stadshuis door de eeuwen heen.
Toen Culemborg in 1318 stadsrechten kreeg van Jan van Beusichem, heer van Culemborg stonden op de plaats van het huidige stadhuis al gebouwtjes die gebruikt werden voor het belang van de burgers op een mooie centrale plaats aan de markt. Culemborg had zich toen al ontwikkeld als marktplaats voor de omgeving. Er werden jaarmarkten, veemarkten, paardenmarkten en een warenmarkt op de dinsdag gehouden. Deze markten moesten wel in goede banen worden geleid. Daarom waren in de gebouwtjes gehuisvest een lombard, dat is een voorloper van een bank. Men kon er geld lenen en geld wisselen. Er was een dingbank, dat is een rechtbank in de buitenlucht volgens oud Germaans gebruik. Het uitvoeren van de vonnissen deed men bij voorkeur tijdens de markten zodat er veel volk op de been was. Vanaf 1318 zetelde het stadsbestuur ook op deze plek. Het raadhuisje stond tegen de lombard en de raadkamer voor de burgemeesters, schout, schepenen en rechters zat op de bovenverdieping van de lombard later de waag. In de stadsrekeningen van de 14de en 15e eeuw staan regelmatig rekeningen van verbouwingen en reparaties. Begin 16e eeuw was het complexje zo vervallen en te klein geworden dat Elisabeth van Culemborg en haar 2e echtgenoot Anthonis van Lalaing in 1534 opdracht gaven aan het stadsbestuur om een nieuw stadhuis te bouwen. Zij leende de stad het geld dat binnen zes jaar terugbetaald moest worden. We kunnen dus stellen dat het stadhuis echt het bezit is van de burgers van de stad. De indeling was ook zo ontworpen dat alle belangrijke functies van de stad erin vertegenwoordigd waren. Beneden in de kelder was het vleeshuis voor de markten. Aan de zijkant een waag ook voor de handel. Op de eerst etage de burgerzaal voor bijeenkomsten en op een verhoging de vierschaar voor het gerecht. De ramen zonder glas zodat een ieder die buiten voor het stadhuis stond het vonnis kon horen. Een bordes waar vanaf het stadsbestuur de burgers kon toespreken, zowel bij feestelijkheden als bij ernstige zaken. Na vijfhonderd jaar gebeurd dat nog steeds. Het bestuur vergaderde nog steeds in het oude raadzaaltje boven de waag. Ze hadden geen zin om helemaal naar boven te gaan naar de nieuwe raadzaal. Hier werd later de schutterij gehuisvest. Dus handel, bestuur, rechtbank en verdediging in één gebouw. Het middelpunt van de stad. Ook als men ontevreden was over het bestuur ging men naar het stadhuis. Zoals bij het meel -of vrouwenoproer in 1650. Vanwege de verhoging van de belasting op het malen van meel trokken de vrouwen met hun schorten als vaandels op naar het stadhuis. Toen één van de vrouwen gevangen genomen werd gooiden de vrouwen alle ruiten in. Dit gaf nog problemen bij de restauratie van 1941-1949 want men wist niet meer wat de voorstellingen op de gebrandschilderde ramen waren. Men koos toen thema’s die bij het stadhuis horen; de gildetekens als teken van de handel en nijverheid door de eeuwen heen. Een raam met de symbolen van gerechtigheid en de stadsbrief als symbool van de stadsrechten en in de raadzaal de wapens van de heren en graven van Culemborg als symbool van het bestuur. Nu is er weer gerestaureerd en een nieuw stuk aan het stadhuis gebouwd. Toen de ambtelijke organisatie allang naar het nieuwe stadskantoor was verhuisd bleef de Raad vergaderen op het stadhuis. Toen het niet meer mocht o.a. vanwege de brandveiligheid werd er in de Unie vergaderd, maar was de Raad vastbesloten om zo snel mogelijk terug te keren naar het stadhuis. De feestweek trok ruim 5000 bezoekers wat aangeeft dat het stadhuis nog steeds het middelpunt van de stad is. De VVD is erg blij om hier weer te mogen vergaderen.
Yvonne Jakobs. VVD raadslid. 